Deze website maakt gebruik van cookies. We gebruiken cookies om instellingen te onthouden en je bezoek soepeler te laten verlopen. Daarnaast gebruiken we ook cookies voor de verbetering van de website en het verzamelen en analyseren van statistieken. Lees meer over cookies

Zorg
Research
Academy
Prinses Máxima Centrum

“De natuur zit helemaal niet zo ingewikkeld in elkaar”

Met een gecombineerde lezing van Hans Clevers, de gaande wetenschappelijk directeur van het centrum en de nieuwe man op die positie, Alexander Eggermont, werd donderdag  27 november jl. het nieuwe auditorium officieel in gebruik genomen. Hans Clevers spreekt over zijn ‘handtekening’ als vertrekkend lid van de raad van bestuur van het Máxima. Over de noodzaak van competitie, over het effect van een ‘platte’ organisatie en natuurlijk over de start van het Prinses Máxima Centrum. Een interview met een man op wie een uitspraak van een beroemd voetballer van toepassing is: ‘je gaat het pas zien als je het doorhebt’.

Hans Clevers spreekt met een bijna laconieke glimlach achter de ogen. In spijkerbroek en casual shirt op zijn werkkamer in het Hubrecht Institute. Een kamer met een wat klassieke uitstraling: naast DNA-kunst aan de muur hangt links en rechts een oorkonde, staat er in de hoek een vol werkbureau en is er een houten ‘goed gesprek’ tafel.

Het begin
“De allereerste keer dat het echt over mijn rol bij het Máxima ging? Ik wist natuurlijk van het initiatief, maar de allereerste keer dat ik er echt over sprak, was met Rob Pieters op een terras aan de Franse zuidkust bij een ondergaande zon. Ik meen in Nice. En de eerste, concrete vraag om toe te treden tot de raad van bestuur van het Máxima, kwam van Jaap Maljers, toenmalig lid van de Raad van Toezicht van KiKa en dat was bij mij aan de eettafel in Amsterdam. Ik weet nog dat ik toen net mijn eerste schilderij van Karel Appel had gekocht.

Ik kende het initiatief van Rob Pieters en Huib Caron die immers zo’n tien jaar samen hebben opgetrokken. Ze zochten steun bij diverse kankeronderzoekers in Nederland, ook om te kijken waar het initiatief zou kunnen landen. En ik heb me toen samen met Edward Nieuwenhuis, destijds de directeur van het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ), hard gemaakt om het in Utrecht te laten starten. In het midden van het land, pal naast het grootste dedicated kinderziekenhuis van Nederland. Dat bleek bepaald niet simpel omdat de academische ziekenhuizen dit in eerste instantie niet wilden. Maar Jan Kimpen, toendertijd de directeur van het UMCU, heeft de knoop doorgehakt en heeft gezegd: jullie zijn welkom in Utrecht.

In de structuur die we vervolgens zagen ontstaan, bleek de wetenschap echter niet op het allerhoogste niveau vertegenwoordigd. In het bestuur zat toen nog geen wetenschapper en dat is noodzakelijk als kern van wat dan heet een ‘comprehensive cancer center’. Hoogwaardige zorg, hoogwaardige wetenschap en hoogwaardige bedrijfsvoering bij elkaar, met als voorbeeld het NKI/AvL. Toen heb ik het initiatief genomen om met een aantal gerenommeerde (onderzoeks-)collega’s een vertrouwelijke brief te schrijven aan het bestuur en de raad van toezicht. Met als kern dat we dit een uniek initiatief voor Nederland vonden, maar het een gemiste kans zou zijn als de wetenschap geen plek heeft in het bestuur. Om te voorkomen dat de wetenschap een speelbal zou worden van allerlei andere krachten.

Wetenschap is immers net als de zorg een professie en dat moet je met de zwaarste professionals doen. Maar het gevolg was wel dat het als een boemerang bij me terugkwam. Want het was nooit mijn bedoeling dat ik bestuurder zou worden. Toen ik nog jong was heb ik namelijk 10 jaar een afdeling geleid in een academisch ziekenhuis en ik ben daar echt afgehaakt vanwege de eindeloze overlegstructuren en het ‘bestuurlijk gedoe’. Mijn vrouw zei daarom: je weet nog waarom je met veel tumult destijds wegging; dit moet jij niet willen.

Uit verantwoordelijkheidsgevoel heb ik het toch opgepakt, maar voor 50%. Tegelijkertijd met Diana Monissen (bestuursvoorzitter) ben ik toen begonnen. We kwamen al snel hier in het Hubrecht Institute en met twee ‘gangen’ in het WKZ, strategisch een hele goeie zet van Rob. En het is ook goed te zeggen dat Edward Nieuwenhuis hier veel veren voor heeft moeten laten. Daar verdient hij ook echt de credits voor. Want door de medewerking van het WKZ kon onze zorg als het ware worden ingeslepen.

Rechterhand Laurens van der Flier en ik zijn toen op 1 januari 2016 met onderzoekers Frank Holstege en Patrick Kemmeren begonnen, niet afkomstig uit de kinderoncologie maar DNA-experts zonder weerga. Onze opdracht was: zet een Europees topinstituut neer en dus vond ik dat er gesolliciteerd moest worden. Gelukkig had Rob Pieters al een sterke SAB (scientific advisory board) geformeerd met onder meer Bill Evans, de directeur van het St. Jude Children’s Research Hospital in Memphis (USA). Door die board konden we gezamenlijk gedragen, goede mensen benoemen. De lat lag hoog: uiteindelijk hielden we zo’n zes, zeven onderzoekers over die afkomstig waren uit de diverse kinderoncologische centra. Ja, ik heb in die tijd ook veel mensen teleur moeten stellen want naast deze onderzoekers hebben we dus mensen aangetrokken die met echt hoogstaand fundamenteel en translationeel onderzoek bezig waren.

Die hebben we vervolgens allemaal bij elkaar gezet in open ruimtes en met alle faciliteiten die ze nodig hadden. Geen eilandjes, maar georganiseerd in een platte organisatiestructuur. En dus niet op basis van titels, rangen, standen of persoonlijke voorkeuren maar op basis van de inhoud van hun onderzoek. Zo ontstonden onderzoeksgroepen die worden aangevoerd door zogenoemde Principal Investigators, hoofdonderzoekers. Zij bepalen samen met de artsen wat voor research er moet plaatsvinden.

De noodzaak van competitie
De opdracht aan de PI’s was en is: niet teveel vergaderen en vooral wetenschap bedrijven. En dat werkt want daardoor hebben we nu de beschikking over zes zogenoemde ERC grants, dat zijn de meest prestigieuze grants met 1-2 miljoen euro per wetenschapper in een onwaarschijnlijk sterke competitie in Europa, waaronder jonge mensen als Jarno Drost,  Anne Rios en Jan Molenaar. Door deze successen trek je ook weer nieuwe mensen aan die echt ontdekkingen willen doen.

Er wordt me wel eens gezegd en ook wel eens verweten dat ik een kampioenensysteem heb geïntroduceerd. Maar de ontwikkeling van wetenschap, en dat wordt nog wel eens ontkend, gaat niet meer zoals het vroeger ging: in alle rust onderzoek doen en na tien jaar een boek publiceren. Dat is allang achterhaald. Ontdekkingen worden nu vaak op diverse plekken in de wereld tegelijkertijd gedaan. Bedenk daarnaast dat er wereldwijd liefst 2,5 miljoen biomedische wetenschappers aan zo’n 5.000 ziektes werken. Dus als er een nieuwe techniek beschikbaar komt, of als er een nieuwe hypothese ontstaat, dan ‘wint’ degene met de beste mensen, die het best geoutilleerd is en de meeste middelen kan mobiliseren. Nu is dat bijna altijd ergens in de Amerika. En het zal niet verbazen dat dit in de toekomst vooral in China zal zijn. Dus wil je meedoen om de beste onderzoekers naar het Máxima te halen, om te onderzoeken hoe kinderkanker ontstaat, dan is het heel simpel: het is up or out. Het is niet anders.

Dan moet je als wetenschapper wel plezier hebben in competitie, maar dit wel altijd in een goede balans houden met samenwerking en collegialiteit. En een enorme frustratietolerantie hebben want er mislukt natuurlijk ook heel veel. Maar dan helpt het wel, zo heb ik geconstateerd, dat we het samen doen met de kinderartsen. Ik denk dat kinderartsen van alle artsen misschien wel de fijnste groep artsen is om mee samen te werken: minder ego en meer idealisme dan wat ik in verschillende umc’s heb meegemaakt.

De opening
“Wat me rond de opening positief heeft verbaasd, is hoeveel rek er in een groep mensen zit die vindt dat er echt iets moet gebeuren en dit gepassioneerd voor elkaar krijgt. Er is bij de start van ons centrum natuurlijk heel veel gevraagd van iedereen, maar het laat ook zien wanneer een groep mensen echt de schouders er onder zet, alles kan. Het is daardoor gelukt om in vrij korte tijd een totaal nieuwe organisatie van scratch af aan op te bouwen, niet organisch en niet met kleine stapjes maar juist met enorme stappen. We hebben een blauwdruk neergelegd voor de start van een middelgroot ziekenhuis, iets dat er niet was.

Wat ik heb onderschat is hoe complex het ziekenhuiswezen inmiddels is geworden; hoe onwaarschijnlijk veel mensen je nodig hebt die geen verpleegkundige of arts zijn, maar die je wel nodig hebt om de tent te draaien. Daar moest ik wel aan wennen.

Het was bovendien een gouden greep van Diana Monissen(bestuursvoorzitter) om Ben van Miltenburg (verantwoordelijk voor de transitie) binnen te halen. In de periode dat het overzicht lastig werd en de prioritering ingewikkeld: wat doen we eerst, wat daarna, wie is verantwoordelijk, wat is de voortgang, kunnen we nog steeds veilig open. En ga zo maar door. En wat heel goed gedaan is met name door Diana, is het meenemen van de buitenwereld:  de verzekeraars, de media, het koninklijk huis en uiteindelijk ook de andere ziekenhuizen.”

De opvolger
“Ik hoop dat Alexander Eggermont (opvolger van Hans Clevers in de Raad van Bestuur red.) heel strak vasthoudt aan de structuur die er nu staat en zich ook aan het bewijzen is. Maar er zijn ook nog gaten. Wat ik niet meebracht, is ervaring met trial-activiteiten. Trials gaan in drie fases: de eerste is safety. Daarna komt de fase van dose-finding, het vinden van de juiste dosering en het meten van de effecten bij een relatief klein groepje patiënten en tot slot is fase 3 de registratiefase, waarbij je een zo groot mogelijke groep mensen betrekt. Deze trials, waar Michel Zwaan nu ook al druk mee bezig is, zijn cruciaal voor het Máxima om internationaal een belangrijke rol te spelen om nieuwe therapieën te kunnen introduceren. En hier heeft Alexander buitengewoon veel ervaring in.”

De bedreigingen
“Wij zijn per definitie een monopolist in Nederland en dan ligt het heel erg voor de hand dat je gaat navelstaren omdat je vindt dat je de beste bent. En dat is ook zo want er is er maar eentje. Maar dan ben je tegelijk dus ook de slechtste, dat moet je ook willen beseffen. Dus moet de blik heel erg naar buiten: internationaal denken en handelen. Dat doen we nog te weinig. Wat doet het St. Jude in Memphis, wat doet Stefan Pfister in het DFKZ in Heidelberg, wat doet Sick Kids Hospital in Toronto. Niet achterover leunen maar doorpakken. Want we hebben door dat monopolie natuurlijk een enorme verantwoordelijkheid op onze schouders geladen: je kunt niet meer naar iemand anders wijzen. Dit speelt nu nog niet hoor: we zijn nog een start up en we bevinden ons nu nog in een opgaande stijgende lijn. Maar we stellen onze eigen richtlijnen en standaarden op; daar moeten we ons enorm bewust van zijn.”

De kansen
“Dat we straks 500 researchers in dienst hebben, dat we alles wat we doen, goed doen en dat we iedere samenwerking in de wereld aankunnen. Ik ben ervan overtuigd dat we in de biomedische wetenschappen alles kunnen begrijpen en alles kunnen oplossen, want weet je, de biologie zit niet zo heel ingewikkeld in elkaar. Het is een opeenstapeling van op zichzelf begrijpelijke dingetjes waarbij je te maken hebt met een groot aantal feitjes waarvan je de meeste niet kent maar waarvan de oplossing binnen handbereik ligt. En als je de oplossing hebt, is het altijd simpel. Sterker, zolang je nog ingewikkelde antwoorden geeft, betekent dit dat je het nog niet begrijpt. Maar ik ben er echt van overtuigd dat we in de biologie alle problemen kunnen oplossen. Ik dacht 30 jaar geleden: het wordt steeds moeilijker om iets te ontdekken. Maar dat is helemaal niet waar: de technologische mogelijkheden groeien nog steeds harder dan de beschikbare kennis: je gaat gewoon met meer wapens naar het volgende level.”

En weer laat Hans Clevers die mild ironische ‘je gaat het pas zien als je het door hebt’ glimlach zien. Juist daar is hij nu weer mee bezig als leider van een onderzoeksgroep in het Máxima. Op de manier die hij zelf heeft ingevoerd: niet op basis van rangen en standen maar op basis van inhoud en pure wetenschap.